Aardwarmte

Verkennen

Omgeving

Wat merkt de omgeving in de verkenningsfase?

Als er seismisch onderzoek plaatsvindt om de ondergrond in kaart te brengen kun je dit merken in de omgeving. Er worden geofoons uitgelegd op bepaalde punten, dat zijn trillingssensoren die tot enkele meters diep worden ingegraven. Deze geofoons zijn vaak draadloos, maar soms lopen er ook kabels door het landschap om de geofoons te verbinden met het meetcentrum. De trillingen van de vibroseis truck of de springstof hoor je niet maar kun je soms wel voelen. Je kunt het vergelijken met de trilling die je voelt wanneer een zware vrachtwagen door de straat rijdt. Voordat het seismisch onderzoek start, krijgen de omwonenden hierover informatie.

Het verkrijgen van seismische data is een tijdrovend proces.  De lijnen met geofoons moeten verlegd worden zodra het signaal is opgevangen door de geofoons omdat de lijnen niet lang genoeg zijn om in één keer het hele gebied te bedekken. Daarnaast zijn sommige terreinen lastig bereikbaar door slechte wegen, bebouwing of (ondiep) water. De grond kan ook minder geschikt zijn voor de geofoons, zoals wanneer de ondergrond van steen is waar geofoons niet zomaar in gestoken kunnen worden. Over het algemeen hebben we van dit laatste niet veel last in Nederland. De duur van een seismisch onderzoek hangt af van de grootte van het in kaart te brengen gebied, over het algemeen kan er 4 km2 per dag gemeten worden. In die periode vinden er dus in de omgeving, op verschillende plaatsen, activiteiten plaats. 

×

Opsporen

Fase 2 | Opsporen

Als een aardwarmtebedrijf tijdens de verkenningsfase een geschikte locatie heeft gevonden waar ze naar aardwarmte willen boren, is er een opsporingsvergunning en een omgevingsvergunning nodig. Deze vergunningen vraagt het bedrijf aan bij de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Zodra de opsporings- en omgevingsvergunningen afgegeven zijn kan het bedrijf starten met het in orde brengen van het boorterrein. Na het opbouwen van een boortoren kan het boren beginnen. Het boren duurt ongeveer twee maanden per put, afhankelijk van de diepte. Hoe dieper, hoe langer het duurt. Tijdens het boren worden voortdurend metingen gedaan en monsters genomen. Hiermee controleert het aardwarmtebedrijf of de resultaten overeenkomen met de verwachtingen uit de onderzoeken in de verkenningsfase. 

Wanneer er warm water is gevonden en blijkt dat aardwarmtewinning mogelijk is, wordt een tweede put geboord. Deze twee putten samen heten een doublet en vormen de productielocatie.

Winnen

Fase 3 | Winnen

Om aardwarmte te mogen winnen, zijn een winningsvergunning en een omgevingsvergunning nodig en ook een goedgekeurd winningsplan. Zodra deze zijn afgegeven, kan het aardwarmtebedrijf starten met de aardwarmtewinning.

Continu wordt warm water uit het reservoir via de put omhoog gepompt en door een warmtewisselaar gevoerd. De warmtewisselaar haalt de warmte uit het water. Deze warmte stroomt vervolgens via een ondergronds warmtenet naar kassen, bedrijven en woningen. Het afgekoelde water wordt via de tweede put weer terug in de oorspronkelijke aardlaag gepompt. De hoeveelheid te onttrekken warmte hangt af van de vraag, in de zomer is er minder warmte nodig, en vindt er dus minder winning plaats.

Bewaking van de installatie gebeurt meestal automatisch en op afstand. Er zijn eisen verbonden aan bijvoorbeeld visuele inspecties en het reageren op verstoringen en alarmen.

Men rekent erop dat een doublet ongeveer 30 jaar warmte kan leveren, en dat dan de productietemperatuur te veel gedaald kan zijn (door toestroming van kouder ‘injectiewater’) om nog efficiënt te kunnen produceren. Afhankelijk van de lokale ondergrondse situatie kan deze periode langer of korter zijn. Als de put niet langer voldoende produceert wordt de locatie in principe opgeruimd. Het is ook mogelijk om elders in de buurt een nieuwe productieput te slaan om de winning van aardwarmte voort te zetten.

 

Opruimen

Fase 4 | Opruimen

Als een locatie niet meer in gebruik is, moet het aardwarmtebedrijf deze opruimen. Het maakt daarvoor een sluitingsplan en een werkprogramma sluiting, met daarin een beschrijving van de uit te voeren activiteiten, een planning, wat er gebeurt met de materialen die worden afgevoerd en ook een beschrijving hoe het terrein wordt achtergelaten. In principe wordt de locatie ook bovengronds in oude staat hersteld, tenzij met de eigenaar andere afspraken worden gemaakt.