Aardwarmte

Verkennen

Procedure

Een aardwarmtebedrijf dat seismisch onderzoek op land wil doen moet hiervoor toestemming krijgen van de betreffende gemeente. Hoe deze toestemming te verkrijgen is, verschilt per gemeente en hangt af van wat er over seismisch onderzoek staat in het gemeentelijke bestemmingsplan. Vaak staat in het bestemmingsplan dat voor seismisch onderzoek een omgevingsvergunning nodig is. In sommige gevallen is een ontheffing van de provincie nodig.

Het aardwarmtebedrijf moet minimaal vier weken voor de start van het verkenningsonderzoek informatie geven aan het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) over welke onderzoeken zullen plaatsvinden en wanneer. Het Staatstoezicht op de Mijnen is de toezichthouder bij mijnbouwprojecten in Nederland, en zorgt voor de naleving van de regels met betrekking tot opsporen, winnen, opslaan en transporteren van delfstoffen. Het bedrijf moet binnen een jaar na het einde van het seismisch onderzoek de resultaten aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat verstrekken. TNO controleert en beheert vervolgens de gegevens.

Omgevingsvergunning en MER

Het aardwarmtebedrijf moet een omgevingsvergunning aanvragen als daar in het bestemmingsplan van de betreffende gemeente om wordt gevraagd. Soms zijn ontheffingen nodig van andere instanties, zoals van de provincie of de wegbeheerder. Bij deze omgevingsvergunning hoeft het aardwarmtebedrijf geen MER in te dienen.

×

Opsporen

Fase 2 | Opsporen

Als een aardwarmtebedrijf tijdens de verkenningsfase een geschikte locatie heeft gevonden waar ze naar aardwarmte willen boren, is er een opsporingsvergunning en een omgevingsvergunning nodig. Deze vergunningen vraagt het bedrijf aan bij de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Zodra de opsporings- en omgevingsvergunningen afgegeven zijn kan het bedrijf starten met het in orde brengen van het boorterrein. Na het opbouwen van een boortoren kan het boren beginnen. Het boren duurt ongeveer twee maanden per put, afhankelijk van de diepte. Hoe dieper, hoe langer het duurt. Tijdens het boren worden voortdurend metingen gedaan en monsters genomen. Hiermee controleert het aardwarmtebedrijf of de resultaten overeenkomen met de verwachtingen uit de onderzoeken in de verkenningsfase. 

Wanneer er warm water is gevonden en blijkt dat aardwarmtewinning mogelijk is, wordt een tweede put geboord. Deze twee putten samen heten een doublet en vormen de productielocatie.

Winnen

Fase 3 | Winnen

Om aardwarmte te mogen winnen, zijn een winningsvergunning en een omgevingsvergunning nodig en ook een goedgekeurd winningsplan. Zodra deze zijn afgegeven, kan het aardwarmtebedrijf starten met de aardwarmtewinning.

Continu wordt warm water uit het reservoir via de put omhoog gepompt en door een warmtewisselaar gevoerd. De warmtewisselaar haalt de warmte uit het water. Deze warmte stroomt vervolgens via een ondergronds warmtenet naar kassen, bedrijven en woningen. Het afgekoelde water wordt via de tweede put weer terug in de oorspronkelijke aardlaag gepompt. De hoeveelheid te onttrekken warmte hangt af van de vraag, in de zomer is er minder warmte nodig, en vindt er dus minder winning plaats.

Bewaking van de installatie gebeurt meestal automatisch en op afstand. Er zijn eisen verbonden aan bijvoorbeeld visuele inspecties en het reageren op verstoringen en alarmen.

Men rekent erop dat een doublet ongeveer 30 jaar warmte kan leveren, en dat dan de productietemperatuur te veel gedaald kan zijn (door toestroming van kouder ‘injectiewater’) om nog efficiënt te kunnen produceren. Afhankelijk van de lokale ondergrondse situatie kan deze periode langer of korter zijn. Als de put niet langer voldoende produceert wordt de locatie in principe opgeruimd. Het is ook mogelijk om elders in de buurt een nieuwe productieput te slaan om de winning van aardwarmte voort te zetten.

 

Opruimen

Fase 4 | Opruimen

Als een locatie niet meer in gebruik is, moet het aardwarmtebedrijf deze opruimen. Het maakt daarvoor een sluitingsplan en een werkprogramma sluiting, met daarin een beschrijving van de uit te voeren activiteiten, een planning, wat er gebeurt met de materialen die worden afgevoerd en ook een beschrijving hoe het terrein wordt achtergelaten. In principe wordt de locatie ook bovengronds in oude staat hersteld, tenzij met de eigenaar andere afspraken worden gemaakt.